Ik reed in de stad in mijn auto toen ik door een moment van onoplettendheid niet kon voorkomen dat ik tegen een stoeprand botste. Nadat ik buiten het verkeer had geparkeerd, zag ik dat een van de banden lek was.
Ik kon de pechhulp niet bellen, omdat ik de naam van de straat waar ik me bevond niet wist.
Ik opende de kofferbak en haalde het benodigde gereedschap tevoorschijn om het defecte wiel te vervangen. Voor mij, als tachtigjarige, was het erg zwaar om voorover te buigen om de krik te plaatsen. Na een paar slagen met de slinger realiseerde ik me dat ik het in mijn eentje niet zou redden!
“Heer, verhoor mijn gebed, … stuur mij een engel!”
Enkele minuten later kwamen er twee jonge mannen langs op hetzelfde trottoir. De eerste bood me spontaan zijn hulp aan. De tweede vroeg me hoeveel die hulp hen zou opleveren. Zonder antwoord liep hij verder. De eerste, Faiçal, had de leiding al overgenomen: de auto optillen, het defecte wiel verwijderen, het reservewiel uit de kofferbak halen en het op zijn plaats zetten. Hij waarschuwde me bovendien dat de band van dat andere wiel onvoldoende opgepompt was.
Ik bedankte Faiçal hartelijk (en God natuurlijk ook) en bood hem de paar bankbiljetten aan die ik op zak had. “Nee, geen geld! Mijn God vraagt me als iemand in nood is, om hem een dienst te bewijzen, dat is wat ik heb gedaan.” We namen afscheid en ik stelde voor om voor elkaar te bidden.
Jacques (priester, Brussel)