Juli 2024

 
"De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets" (Ps 23, 1).
Hier vind je verschillende digitale versies van het maandelijkse Woord van Leven (video voor iedereen, video voor kinderen,

Psalm 23 is bij velen die gewoon zijn psalmen te bidden, heel gekend en geliefd. Het is een lied dat vertrouwen uitstraalt. Tegelijkertijd heeft dit lied het karakter van een blije geloofs­belijdenis. De schrijver van dit gebed bidt als iemand die deel uitmaakt van het volk Israël. Aan dat volk heeft de Heer door de profeten beloofd hun Herder te zijn. De auteur zingt zijn eigen persoonlijk geluk uit vanuit het besef dat hij beschermd is in het huis van de Heer[1], de Tempel, een toevluchtsoord en asiel van genade. Maar hij wil met zijn ervaring ook anderen aanmoedigen om te vertrouwen op de aanwezigheid van de Heer.

“De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.”

Het beeld van de herder en de kudde is in de hele bijbelse literatuur erg geliefd. Om het goed te begrijpen, moeten we denken aan de dorre en rotsachtige woestijnen van het Midden-Oosten. De herder gidst zijn kudde en die laat zich volgzaam leiden, want zonder herder zou ze verdwalen en sterven. De schapen moeten leren op hem te vertrouwen en te luisteren naar zijn stem. Bovenal is hij hun reisgenoot, een reisgezel die altijd bij hen is.

“De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.”

Deze psalm nodigt ons uit om onze intieme relatie met God te versterken door het ervaren van zijn liefde. Sommigen vragen zich misschien af waarom de auteur zo ver gaat dat hij zegt dat “het hem of haar aan niets ontbreekt”. Want onze dagelijkse ervaring is nooit vrij van problemen en uitdagingen, op het vlak van gezondheid, gezin, werk, enz. En wat te denken van het immense lijden dat zovelen van onze broers en zusters vandaag ervaren als gevolg van oorlog, klimaatverandering, migratie, geweld…?

“De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.”

Misschien ligt de interpretatiesleutel in het vers waar te lezen staat: “Want U bent bij mij” (Ps 23, 4). Dat vers drukt de zekerheid uit van de liefde van een God die ons altijd vergezelt en ons bestaan op een andere manier laat leven.

Chiara Lubich schreef: “Eén iets is weten dat we onze toevlucht kunnen nemen tot Iemand die er is, die medelijden met ons heeft en voor onze zonden en schulden heeft betaald. Een ander iets is zich het middelpunt weten van Gods voorliefde, waardoor alle verlammende angst, alle eenzaamheid, elk gevoel van verweesdheid en onzekerheid wordt uitge­bannen. Iemand weet dan dat hij bemind wordt en gelooft met heel zijn wezen in deze liefde. Hij geeft er zich vol ver­trouwen aan over en wil haar volgen. […] De omstandigheden van het leven, zowel droevige als blije, komen in het licht te staan van een liefde die alles zo heeft gewild of toegelaten.”[2] Niets of niemand kan ons scheiden van de liefde van God.

“De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.”

Maar degene die deze prachtige profetische boodschap in vervulling heeft doen gaan voor iedereen, is Jezus. In het evangelie van Johannes aarzelt Hij niet om zichzelf de “Goede Herder” te noemen. De relatie met deze herder wordt gekenmerkt door een persoonlijke en intieme band: “Ik ben de goede herder, Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij” (Joh 10, 14-15). Hij leidt hen naar de weiden van zijn Woord, dat leven is, in het bijzonder het Woord dat de boodschap bevat van het “nieuwe gebod”. Als het nieuwe gebod wordt geleefd, maakt het de leven gevende aanwezigheid van de Verrezen Heer “zichtbaar” in de gemeenschap die in zijn naam en in zijn liefde bijeen is[3].

Augusto Parodie Reyes en het Woord-van-leven-team

[1] Vgl. Ps 23, 6.
[2] Chiara Lubich, Heimwee naar God, Nieuwe Stad, Brussel-Nijmegen 1973, blz. 48-49; ook in: ScrittiSpirituali/2, Città Nuova, Rome 19972, blz. 148.
[3] Vgl. Mt 18, 20.

Lees ook