Woord van Leven – April 2019

 
“Als Ik, jullie Heer en jullie Meester, je voeten heb gewassen, moet je ook elkaars voeten wassen” (Joh 13, 14).

 

               

“Als Ik, jullie Heer en jullie Meester, je voeten heb gewassen, moet je ook elkaars voeten wassen” (Joh 13, 14).

De evangelist Johannes herinnert hier aan de laatste uren die de apostelen samen met Jezus doorbrachten. Vooral plaatst hij de voetwassing in het middelpunt. In het oude Oosten was de voetwassing een teken van welkom aan de gast, die via stoffige straten zijn doel had bereikt. Gewoonlijk werd het wassen door een slaaf gedaan. Juist daarom weigeren de leerlingen in eerste instantie deze daad van hun Meester aan te nemen. Maar achteraf legt Hij het hun uit:

“Als Ik, jullie Heer en jullie Meester, je voeten heb gewassen, moet je ook elkaars voeten wassen.”

Met behulp van dit betekenisvolle beeld onthult Johannes ons de hele zending van Jezus. Hij, de Meester en de Heer, is de mensengeschiedenis binnengetreden om iedere man of vrouw te ontmoeten, om ons te dienen en ons weer in contact te brengen met de Vader.

Elke dag opnieuw heeft Jezus zich tijdens zijn aardse leven van alle tekens van zijn grootheid ontdaan, en nu bereidt Hij zich voor om zijn leven te geven op het kruis. Juist nu draagt Hij als zijn erfenis het woord over dat Hem het meest ter harte gaat:

“Als Ik, jullie Heer en jullie Meester, je voeten heb gewassen, moet je ook elkaars voeten wassen.”

Dat is een eenvoudige en duidelijke uitnodiging. We kunnen die allemaal begrijpen en meteen in praktijk brengen, in iedere situatie, in de sociale en culturele omgeving waarin we verkeren.

Christenen zijn mensen die de openbaring van de Liefde van God hebben ontvangen door het leven en de woorden van Jezus. Ze hebben een ‘schuld’ jegens de anderen, namelijk Jezus na te volgen en hun broeders en zusters te dienen en op hun beurt verkondigers te zijn van die Liefde. Op de wijze van Jezus: eerst concreet liefhebben en vervolgens de daden vergezeld laten gaan van woorden van hoop en vriendschap.

En ons getuigenis is des te sterker als we onze aandacht richten op de armen, in een geest van belangeloosheid, en ons niet slaafs gedragen tegenover mensen die macht en aanzien hebben. Ook oog in oog met complexe of tragische situaties waarin we machteloos staan, kunnen we en moeten we iets doen om bij te dragen aan het ‘welzijn’ van anderen. We kunnen onze handen vuil maken, zonder iets terug te verwachten, vrijgevig en met gevoel voor verantwoordelijkheid.

Bovendien vraagt Jezus van ons dat we niet alleen persoonlijk van de Liefde getuigen, in onze eigen leefomgeving, maar ook als gemeenschap, als volk van God, dat als fundamentele wet de wederzijdse liefde heeft.

“Als Ik, jullie Heer en jullie Meester, je voeten heb gewassen, moet je ook elkaars voeten wassen”.

Na deze woorden gaat Jezus verder: “Ik heb een voorbeeld gegeven. Wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen…. Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt.”[1]

In haar commentaar bij deze zin uit het Evangelie schreef Chiara Lubich: “(…) ‘Je zult gelukkig zijn’; ‘Je zult zalig zijn’. De wederzijdse dienst, de wederzijdse liefde die Jezus met dit verbijstering wekkende gebaar laat zien, is dus een van de zaligsprekingen die Hij ons heeft geleerd. […]

Hoe kunnen we in deze maand dit woord beleven?

De navolging die Jezus van ons vraagt, bestaat niet uit het klakkeloos herhalen van zijn gebaar, ook al moeten we dat altijd voor ogen hebben als een lichtend en onvergelijkelijk voorbeeld. Jezus navolgen betekent: begrijpen dat wij christenen een reden van bestaan hebben, als we ‘voor’ de anderen leven, als we ons bestaan opvatten als een dienst aan onze medemensen, als we heel ons leven baseren op dit gegeven. Dan verwezenlijken we wat Jezus het meest na aan het hart ligt. Dan raken we de kern van het Evangelie. Dan zullen we werkelijk gelukkig zijn.”[2]

 

Letizia Magri en de Commissie van het Woord van Leven

[1] Joh 13, 15-17.

 

[2] Chiara Lubich, Woord van Leven van april 1984.