Woord van Leven – April 2020

 
"Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven." (Joh 20, 29)

                     

“Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.” (Joh 20, 29)

Het Evangelie van Johannes beschrijft de ontmoetingen van de apostelen, van Maria Magdalena en van andere leerlingen met de verrezen Heer. Hij laat zich meerdere keren zien met de tekenen van de kruisiging, om hun harten weer te openen voor vreugde en hoop. Bij een van deze ontmoetingen is de apostel Thomas er niet bij. De anderen, die Jezus hebben ontmoet, vertellen hem over deze geweldige ervaring. Misschien willen ze die vreugde aan hem doorgeven. Maar Thomas is niet in staat om deze ervaring die hij zelf niet had meegemaakt, te accepteren. Hij wil Jezus persoonlijk zien en aanraken.
En dat gebeurt een paar dagen later. Jezus presenteert zich opnieuw aan een groepje leerlingen, en dit keer is ook Thomas erbij. Nu spreekt hij zijn geloof uit en zijn totale aanhankelijkheid aan de Verrezene. “Mijn Heer en mijn God!” roept hij uit. En Jezus antwoordt hem:

“Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.”
Dit Evangelie werd geschreven nadat de ooggetuigen van het leven, de dood en verrijzenis van Jezus, al waren gestorven. Onvermijdelijk werd de evangelische boodschap toevertrouwd aan de volgende generaties. Onvermijdelijk was de overdracht gebaseerd op het getuigenis van mensen die op hun beurt de Blijde Boodschap hadden ontvangen. Hier begon de tijd van de Kerk, het volk van God, dat doorging met de verkondiging van de boodschap van Jezus door zijn Woord getrouw door te geven en ernaar te leven.
Ook wij hebben allemaal Jezus, het Evangelie en het christelijk geloof ontmoet door het woord en het getuigenis van anderen, en we hebben geloofd. Daarom “zijn wij gelukkig”.

“Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.”
Om dit Woord te kunnen beleven herinneren we hier aan de uitnodiging van Chiara Lubich:
“Hij wil jou en alle mensen die niet in zijn tijd en in zijn concrete gezelschap hebben geleefd, de overtuiging geven dat jullie dezelfde werkelijkheid in handen hebben als de apostelen. Hij wil je zeggen dat je niet in het nadeel bent in vergelijking met degenen die Hem hebben gezien. Je hebt je geloof, en dat is nu net de nieuwe manier om Jezus – bij wijze van spreken – te ‘zien’. Met dat geloof ga je naar Hem toe, begrijp je wie Hij is en kun je Hem diep in je hart ontmoeten. Met je geloof kun je Hem ontdekken waar twee of meer mensen verenigd zijn in zijn naam (vgl. Mt 18, 20), of in zijn Kerk. Daar gaat zijn leven verder.
Deze woorden van Jezus zijn ook voor ons een oproep om echt te geloven en geen steun te verwachten van bepaalde tekenen om in het geestelijk leven vooruit te kunnen gaan. Je moet niet twijfelen aan de aanwezigheid van Christus in jouw leven en in de geschiedenis, ook al lijkt Hij je soms ver weg. Hij wil dat je gelooft in zijn liefde, ook al bevind je jezelf in een moeilijke of misschien onmogelijke situatie.”¹

Anne is een jonge vrouw uit Australië. Ze werd geboren met een ernstige beperking. Ze vertelt: “In de puberteit vroeg ik me af waarom ik niet meteen bij de geboorte was gestorven, want mijn beperking woog zwaar. Mijn ouders beleefden het Woord van Leven; ze gaven me altijd hetzelfde antwoord: ‘Anne, God houdt oneindig veel van je. Hij heeft voor jou een speciaal plan.’ Geconfronteerd met mijn lichamelijke beperkingen hebben ze me geholpen om niet geblokkeerd te raken door de moeilijkheden, maar om de anderen ‘als eerste lief te hebben’, zoals God heeft gedaan met ons. Ik heb gezien dat heel veel situaties om me heen veranderd zijn en dat vele mensen opener zijn geworden jegens mij en anderen. Van mijn vader kreeg ik een persoonlijke brief die pas na zijn overlijden mocht worden geopend. Daarin stond maar één zin: ‘Mijn nacht kent geen duisternis’. Dat is iedere dag mijn ervaring. Iedere keer dat ik ervoor kies de ander die naast me staat lief te hebben en te dienen, is er voor mij geen duisternis en kan ik de liefde ervaren die God voor mij heeft.”

Letizia Magri en de Commissie van het Woord van Leven

1 Chiara Lubich, Woord van Leven van april 1980.