Woord van Leven – Februari 2020

 
“De vader van het kind riep uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’.” (Mc 9,24)

                     

“De vader van het kind riep uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’.”

Jezus is op weg naar Jeruzalem en wordt vergezeld door zijn leerlingen. Hij is al begonnen met hen voor te bereiden op de beslissende afspraak: afwijzing door de religieuze gezagsdragers, terdoodveroordeling door de Romeinen en kruisiging, waarna de verrijzenis zal volgen. Voor Petrus en de anderen die Hem hebben gevolgd is het bijna niet te begrijpen. Maar het evangelie van Marcus neemt ons mee in de groeiende ontdekking van de zending van Jezus: de definitieve redding van de mensheid via de kwetsbaarheid van het lijden. Onderweg  ontmoet  Jezus  vele  mensen en  Hij  bekommert  zich  om  ieder van  hen in  hun persoonlijke noden. Hier zien we hoe Hij de roep om hulp van een vader aanhoort, die Hem vraagt zijn kind te genezen dat ernstig ziek is en waarschijnlijk lijdt aan epilepsie. Om het wonder te laten gebeuren vraagt Jezus op zijn beurt iets aan de vader van het kind: te geloven.

“De vader van het kind riep uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’.”

Het antwoord van de vader, met luide stem en in het bijzijn van de menigte die zich om Jezus heeft verzameld, houdt op het eerste gezicht een tegenspraak in. Net als ons vaak overkomt, ervaart de vader hoe broos en kwetsbaar zijn geloof is en hoe onmachtig hij is om ten volle te vertrouwen op de liefde van God, die voor elk van zijn kinderen hun geluk wil. Anderzijds geeft God vertrouwen aan de mens. Hij doet niets zonder diens eigen bijdrage, zonder een vrij ‘ja’ van zijn kant. Hij vraagt dat we ons deel doen, ook al is dat klein. Wat is dat kleine deel? Zijn stem in geweten herkennen, op Hem vertrouwen en op onze beurt gaan liefhebben. In grote delen van onze cultuur wordt de agressiviteit in al haar vormen opgehemeld als het beste wapen om succes te hebben. Het Evangelie daarentegen stelt ons voor een paradox, een schijnbare tegenstelling: onze zwakheid, onze grenzen en kwetsbaarheid erkennen als vertrekpunt om de band te vinden met God en met Hem deelhebben aan de allergrootste verovering: de broederschap van alle mensen. Met heel zijn leven heeft Jezus ons de logica van het dienen geleerd, het kiezen van de laatste plaats. Het is de beste positie om een schijnbare nederlaag om te zetten in een overwinning die niet egoïstisch en vluchtig is maar duurzaam en samen met anderen wordt behaald. 

“De vader van het kind riep uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’.”

Geloof is een gave waar we met volharding om mogen en moeten vragen, om met God te kunnen meewerken en wegen van hoop te kunnen openen voor velen. Chiara Lubich schreef daarover: “Geloven betekent beseffen dat God naar ons omziet en ons liefheeft, weten dat de ogen van God rusten op elk gebed, elk woord, elk gebaar, iedere droevige, blije of neutrale gebeurtenis, iedere ziekte, alles, alles, alles. En als God Liefde is, dan is een volkomen vertrouwen in Hem het logisch gevolg. We kunnen dan zo’n vertrouwelijke omgang met Hem hebben dat we keer op keer met Hem in gesprek gaan en Hem al onze zorgen, onze voornemens en onze plannen voorleggen. Ieder van ons kan zich overgeven aan zijn liefde, in de zekerheid te worden begrepen, getroost en geholpen. We kunnen Hem vragen: ‘Heer, laat mij in uw liefde blijven. Zorg dat ik geen ogenblik leef zonder dat ik vanuit geloof of ook door ervaring voel, merk of weet dat U mij liefhebt, dat U ons liefhebt.’ En vervolgens liefhebben. Naarmate we liefhebben wordt ons geloof sterk en standvastig. Niet alleen zullen we dan in Gods liefde geloven, maar die heel concreet ervaren in ons binnenste, en we zullen om ons heen ‘wonderen’ zien gebeuren.”[1]

Letizia Magri en de commissie Woord van Leven.