Woord van Leven – Juni 2020

 
“Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.” (Mt 10, 40)

                    

“Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.” (Mt 10, 40)

In het Evangelie van Matteüs wordt verteld dat Jezus de twaalf apostelen uitkiest en hen uitzendt om zijn boodschap te verkondigen. Een voor een worden ze genoemd, als teken van de persoonlijke relatie die ze hadden met de Meester die ze vanaf het begin van zijn zending hadden gevolgd. Ze hebben zijn stijl leren kennen die gekenmerkt wordt door nabijheid bij zieken, bij zondaars en bij hen die beschouwd worden als door de duivel bezeten; allemaal mensen die door de anderen worden afgewezen, negatief beoordeeld en gemeden. Pas na deze concrete tekenen van liefde voor zijn volk, bereidt Jezus zich voor om te verkondigen dat het Rijk van God nabij is.

De apostelen worden dus gezonden in de naam van Jezus, als zijn ‘ambassadeurs’. Hij is degene die moet worden ontvangen in de ontmoeting met de apostelen. In de Bijbel zie je wel vaker dat grote figuren, vanwege de openheid van hun hart jegens een onverwachte gast, God zelf ontvangen.Ook vandaag is in culturen met een sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel een gast nog altijd heilig, ook wanneer hij onbekend is. Voor hem wordt de beste plaats gereserveerd.

“Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.”

 Jezus geeft aan de twaalf zijn instructies: ze moeten blootsvoets op weg gaan en met weinig bagage: een lichte reiszak en één enkel bovenkleed… Ze moeten zich als gasten laten behandelen, bereid om de attenties van de anderen te aanvaarden, met nederigheid; ze moeten gratis zorg en nabijheid schenken aan armen en aan iedereen als geschenk vrede geven. Net als Jezus zullen ze onbegrip en vervolgingen geduldig verdragen, zeker als ze zijn van de bijstand van de liefde van de Vader. Op die manier zal iemand die het geluk heeft een van hen te ontmoeten, werkelijk de tederheid van God kunnen ervaren.

“Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.”

 Alle christenen hebben een zending, net als de apostelen: met zachtheid getuigen van Gods liefde die ze zelf hebben ontmoet. Op de eerste plaats getuigen met het leven, maar ook door te spreken, zodat het een vreugdevolle werkelijkheid kan worden voor velen, voor allen. En omdat zij in al hun kwetsbaarheid bij God een thuis hebben gevonden, is het eerste getuigenis juist de attente verwelkoming, het liefdevolle onthaal van de medemens.

In een samenleving gekenmerkt door het nastreven van eigen succes en van een egoïstisch begrepen autonomie, zijn christenen geroepen om de schoonheid van de broederlijkheid te tonen die erkent dat we elkaar nodig hebben en die wederzijdsheid op gang brengt.

“Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.”

 Over de evangelische verwelkoming schreef Chiara Lubich het volgende: “Jezus was uitdrukking van de liefde van de Vader, een liefde die helemaal openstaat voor ieder van ons, en die wij op onze beurt moeten hebben voor elkaar. […]

We kunnen dit Woord van Leven op de eerste plaats beleven binnen ons gezin, onze familie, in de verenigingen en groeperingen waarvan we deel uitmaken, en ook op ons werk. Oordelen en vooroordelen, discriminatie, vijandige gevoelens en onverdraagzaamheid jegens deze of gene moeten we van ons afschudden. Het zijn dingen die zo vaak en zo gemakkelijk voorkomen en die de menselijke verhoudingen stroef en koel maken. Ze zijn als roest die de wederzijdse liefde blokkeren. […] Openheid voor de ander, verwelkoming en onthaal van de ander, van wie anders is dan wij, hoort tot het wezen van de christelijke liefde. Hier ligt het vertrekpunt voor de opbouw van die beschaving van de liefde, van die cultuur van gemeenschap waartoe Jezus ons vooral vandaag oproept.” [1]

 

Letizia Magri

en de Commissie Woord van Leven

 

[1] Vgl. Chiara Lubich, Woord van Leven van december 1992.